| ||||||||||||||||||||
De ontdekking Het was voor iedereen, niet in het minst voor de archeologen zelf, een complete verrassing, dat er in Heeten zo'n belangrijke woon- en werkplaats uit de Romeinse tijd bleek te liggen. Nooit eerder hadden archeologen of amateur-archeologen iets bespeurd van de vergeten verleden tijd in de bodem van Heeten. De grondsoorten en vondsten van deze belangrijke woonplek in de nieuwbouwwijk Hordelman II lagen dan ook al sedert de Middeleeuwen onder een 1 m dik cultuurdek van
Een omheind kamp met ijzerindustrie In en buiten het opgravingsterrein is bewoning geweest in de 3e en 4e eeuw van onze jaartelling. Daarna is de bewoning afgebroken en zijn er tot de vorming van de enk omstreeks de 13e eeuw geen andere bewijzen van de menselijke aanwezigheid aangetroffen. Uit de tijd vóór de 3e eeuw zijn er maar enkele vondsten gedaan, die duiden op incidentele menselijke aanwezigheid. Omstreeks het jaar 300 is vanuit de bestaande bewoning een omheind kamp van 110 bij 80 m groot opgezet. Die omheining was niet echt sterk, dus niet of nauwelijks van militaire betekenis, maar zeker wel van economisch belang. Er zijn houten palen in een smalle, gegraven greppel geplaatst, waarbij de palen soms als bij een palissade pal naast elkaar stonden, soms op enige afstand van elkaar. In het laatste geval zal er vlechtwerk (van doornstruiken ?) tussen de palen zijn aangebracht. Met zo'n omheining is er een goede afscheiding om het werkterrein aangebracht, waarmee men wilde dieren buiten kan houden en vee en andere huisdieren erbinnen. In het noordoosten, in de tuin rondom Interieurverzorging Boerhof, blijkt een aanbouw van het kamp te liggen, dat om die reden slechts voor een klein deel op te graven was. In de west- en noordomheining is een toegang gevonden, in de zuidelijke niet, maar daar ontbreekt om onduidelijke redenen bij de zuidoosthoek meer dan 10 m van de omheining; de oostelijke omheining kon niet worden opgegraven, omdat die onder de bomenrij en het fietspad langs de Dorpsstraat ligt. De beschreven omheining kan niet zo lang hebben bestaan, waarschijnlijk niet eens langer dan 25 jaar. Binnen de omheining zijn grondsporen van de volgende constructies en ingravingen opgegraven: huizen of boerderijen, werkschuren met verdiepte bodems (zgn. hutkommen), opslagschuurtjes, omheiningen voor vee, waterputten, doorgraven en rituele kuilen. De meeste van deze verschijnselen behoren tot het kamp, wat met name is te zien aan hun oriëntatie op de omheining. Een kleiner deel behoort tot de bewoning, die voor of na het kamp aanwezig was. De 3, 5 meter diepe waterputten zijn onder meer van belang, omdat het bewaarde eikehout onderin de putten met behulp van jaarringen tot op enkele jaren nauwkeurig kon worden gedateerd: vier dateringen in de periode tussen 280 en 336 na Chr. In en buiten het kamp is een ongekende hoeveelheid ijzerslakken aangetroffen. Zij vormen de afvalproducten van moeras-ijzererts, waaruit in buiten het kamp gelegen ijzerovens ijzer is gesmolten. Er zijn minstens 200 ovens geweest, waarvan alleen de diepst ingegraven exemplaren zijn teruggevonden. Iedere oven was slechts
Vondsten Na de categorie van de ijzerslakken en de al dan niet gesinterde leembrokken van ijzerovens vormen de aardewerkscherven de grootste vondstgroep. Ca. 99% ervan is Germaans aardewerk, dat handgevormd is. Onder hen vallen twee 4e eeuwse scherven van een grote pot op, omdat die zijn versierd met zonnesymbolen. Een versierde kom op een steelvoet heeft als bouwoffer gediend in een van de boerderijen. Een kleine minderheid van het aardewerk bestant uit Romeins aardewerk van allerlei tijden, dat op de draaischijf is vervaardigd en in ovens gebakken. Onder dit Romeinse aardewerk valt een half bakje op van roodbakken aardewerk (zogeheten terra sigillata) met radstempelversiering, dat ten noorden van de Rijn slechts zelden voorkomt. Onder de metalen voorwerpjes zijn te noemen een doorboord spinklosje van loos, ijzeren stukken van spijkers, messen en dergelijke, alsmede bronzen voorwerpen van naalden, opsmuk van paardetuig, een belletje en mantelspelden, waarbij een heel merkwaardig exemplaar, dat is ingelegd met bladgoud (eigenlijk verguld zilver). Op dat bladgoud is binnen enkele cirkels een gezichtje aangebracht. Bij de resten van glas is een speelfiche van een blauwe glaspasta te vermelden en vooral een (helaas flink beschadigd) parfumflesje van blauw glas in de vorm van een vis. Verder heeft de opgraving, die immers is gelegen op hoge zandgrond, opvallen veel dierlijke beenderresten opgeleverd. Er zal nog heel wat bestudeerd moeten worden voordat 'alle' geheimen zijn ontraadseld. | ||||||||||||||||||||